Om te kunnen gaan zeilen moet je natuurlijk wel een zeilboot hebben... De Lelievlet is de officiële Scouting zeilboot. Niet erg snel, wel erg stevig... Met een Lelievlet kan je behalve zeilen ook roeien en wrikken. Als je bij een zeilschool gaat zeilen in een qua grootte vergelijkbare boot, kom je meestal in een (Poly)Valk terecht. Het grootste verschil met de Lelievlet is dat de Polyvalk van polyester is; dat maakt de boot een stuk lichter en dus ook een stuk sneller.

In het plaatje zijn een paar namen van hele belangrijke onderdelen van een zeilboot aangegeven. De A in het plaatje staat voor 'grootschoot' en de B voor 'fokkeschoot'. Met deze schoten bedien je de zeilen: je kan de zeilen vieren (= losser laten) of strakker aantrekken. Dat zal je wel zien als je een keertje gaat zeilen. Waarvoor de mast is lijkt duidelijk: zonder mast kan je je zeilen niet hijsen. Het fok is het kleine zeil aan de voorkant en het grootzeil zit achter de mast. Het grootzeil hangt tussen de giek en gaffel. Doordat de wind in de zeilen blaast gaat de boot vooruit.

Het zwaard zorgt ervoor dat de boot rechtdoor kan varen en niet door de wind opzij geblazen wordt. Het roer gebruik je om te sturen.

WINDORIËNTATIE EN DE KOERSEN

Het lijkt logisch dat je ook je zeilen moet kunnen hijsen om te gaan zeilen en dat is natuurlijk ook zo, maar dat gedeelte sla ik nu even over: er zijn belangrijkere dingen bij het zeilen! Het is namelijk heel erg belangrijk om te weten waar de wind vandaan komt...

Let op de volgende dingen als je erachter probeert te komen waar de wind vandaan komt:

 

  • vlaggen die op de kant staan
  • bomen en struiken
  • golven (heel belangrijk, zeker als je op een groot meer zit!)
  • als je boot een windvaantje hebt, gebruik deze dan niet, deze geeft namelijk niet de echte windrichting aan
  • als je wat meer van zeilen weet kan je ook aan de hand van je zeilen en de zeilen van andere boten de windrichting bepalen

We gaan nu verder met de verschillende koersen die je met een zeilboot kunt varen. Een koers is de richting van de boot ten opzichte van de wind, bijvoorbeeld: als de wind rechter van achteren komt noemen we datvoor de wind.

Zoals je ziet kan je met een zeilboot 8 verschillende koersen varen. Hieronder heb ik de koersen namen gegeven.

    1. In de wind (zeilen klapperen)
    2. Aan de wind (met de zeilen over bakboord)
    3. Aan de wind (met de zeilen over stuurboord)
    4. Halve wind (met de zeilen over bakboord)
    5. Halve wind (met de zeilen over stuurboord)
    6. Ruime wind (met de zeilen over bakboord)
    7. Ruime wind (met de zeilen over stuurboord)
    8. Voor de wind (zeilen kunnen zowel over stuurboord als bakboord)

Er zijn 2 verschillende koersen aan de wind, 2 verschillende koersen halve wind en 2 verschillende koersen ruime wind. Alleen in de wind en voor de wind zijn komen in bovenstaande windroos maar één keer voor. Hieronder zal ik per koers nog even kort wat uitleg geven.

  • In de wind - Recht tegen de wind in kunnen we niet zeilen! (Alleen achteruit, maar dat doen we normaal gesproken niet.) De zeilen vangen geen wind en klapperen.
  • Aan de wind - Aan de wind betekent dat we schuin tegen de wind in zeilen. Alle richtingen die tussen de twee aan-de-windse koersen liggen kunnen we niet zeilen. Je zou ze kunnen zien als uitersten (als we van de ene naar de andere aan-de-windse koers willen zullen we dan ook moeten draaien: dit heet overstag gaan). De richtingen die we niet kunnen varen zijn in het grijs aangegeven: alle richtingen tussen de twee aan de windse koersen.
  • Halve wind - Halve wind betekent dat de wind loodrecht van opzij komt.
  • Ruime wind - Ruime wind betekent dat de wind schuin van achteren komt.
  • Voor de wind - Bij voor de wind komt de wind precies van achteren. Doordat de wind precies van achteren komt, kunnen grootzeil en fok zowel aan bakboord als aan stuurboord staan.

Begrijp je nog niet wat bakboord en wat stuurboord is?? Geen probleem, dat lees je in het volgende deel!

BEGRIPPEN  

BEGRIPPEN HOGER- EN LAGERWAL 

Hoe hoog de wal is maakt niks uit, dat had je misschien al begrepen, maar wat is het dan wel? Hogerwal is de wal waar de wind vanaf blaast en lagerwal is de wal waar de wind naartoe blaast. Simpel toch? Dit is heel belangrijk om te weten als we willen aanleggen, omdat er verschillende manieren van aanleggen zijn voor hogerwal en lagerwal.

STUURBOORD EN BAKBOORD

Je hebt vast wel eens van stuurboord en bakboord gehoord, maar wat is het nou eigenlijk? Ook dit is eigenlijk heel eenvoudig: stuuRboord is Rechts (als je met je gezicht naar de voorkant van de boot gericht staat) en baKboord is linKs.

LOEF- EN LIJZIJDE

De loefzijde is de hoge kant van de boot, de lijzijde de lage kant. Het is namelijk zo dat de boot (een beetje) scheef komt te liggen doordat de wind in de zeilen blaast. De wind komt altijd aan de loefzijde de boot binnen en gaat de boot weer uit aan de lijzijde. Wat heel belangrijk is om te weten is dat je altijd aan de loefzijde van de boot zit als je aan het roer zit en de zeilen bedient. Op die manier kan je goed op je zeilen letten ('een oogje in het zeil houden') en kan je ook goed zien wat er voor de boot gebeurt: je kijkt namelijk langs de zeilen.

OPLOEVEN EN AFVALLEN

Oploeven en afvallen zijn bij het zeilen twee hele belangrijke termen. Oploeven betekent niet meer dan naar de wind toe draaien en afvallen betekent dan natuurlijk van de wind af draaien. Dus: afvallen is draaien richting voor de wind en oploeven is draaien richting in de wind.

Even een kleine test: moet je oploeven of afvallen om van aan de wind naar ruime wind te draaien? (Het antwoord vind je in het volgende deel van deze mini-cursus.)

Je moet er voor zorgen dat je altijd goed langs de zeilen kan kijken, maar dat je ook een oogje in het zeil kan houden. Dus: als de zeilen aan bakboord staan moet je zelf aan stuurboord zitten. En: als de zeilen aan stuurboord staan moet je zelf aan bakboord zitten. Je zit altijd aan die zijde van de boot waar de zeilen niet staan.

ZEILSTANDEN

Om zo snel mogelijk te kunnen zeilen is het heel belangrijk dat je je zeilen altijd goed hebt staan: wedstrijden willen we natuurlijk winnen! Het is heel makkelijk uit te leggen hoe je zeil moet staan, maar er voor zorgen dat je zeilen altijd goed staan is voor veel mensen een probleem, je moet er namelijk de hele tijd op blijven letten!

'HOE ZIT HET NOU MET DIE ZEILSTANDEN?'

De zeilen staan bij aan de wind strak aangetrokken, terwijl de zeilen bij voor de wind zo los mogelijk staan. Als je dat weet ben je eigenlijk al klaar: als je van aan de wind naar halve wind gaat laat je je zeilen iets losser, val je nog verder af naar ruime wind dan laat je ze nog verder vieren. Als je dan weer oploeft naar aan de wind trek je ze weer een stuk aan.

'MAAR HOE WEET IK NOU OF M'N ZEILEN PRECIES GOED STAAN?!?'

Hier is een heel eenvoudig trucje voor: laat je zeilen net zo ver vieren tot ze aan de voorkant een beetje beginnen te klapperen (dit heet 'killen') en trek ze vervolgens weer aan tot ze net niet meer klapperen. Dit geldt voor zowel het fok als het grootzeil. En telkens als je van koers verandert moet je dit weer opnieuw doen doen.

'WAT STAAN DE ZEILEN RAAR BIJ VOOR DE WIND!'

Nee hoor, dit is helemaal niet raar, maar een uitzondering is het wel. In principe heb je bij alle koersen je zeilen aan dezelfde zijde staan: de lijzijde! Maar als je precies voor de wind vaart komt de wind recht van achteren en kan je het fok aan de andere kant dan het grootzeil doen, zodat het meer wind vangt.

NOG EVEN HET ANTWOORD OP DE VRAAG IN HET VORIGE DEEL:

Om van aan de wind naar ruime wind te draaien moet je afvallen.

TUSSENDOORTJE - DEINZEN

In de eerste 5 delen hebben we al aardig wat begrippen geleerd en de belangrijkste basis van het zeilen - de koersen met bijbehorende zeilstanden - hebben we als het goed is nu onder de knie. Voordat we verder gaan met enkele hele belangrijke maneuvres (overstag gaan en gijpen) eerst even een aardig tussendoortje: deinzen, oftewel achteruit zeilen.

We hebben gezien dat we niet in de wind kunnen zeilen. Tenminste, niet vooruit! Als je precies in de wind wordt je namelijk achteruit geblazen! We kunnen wel achteruit zeilen als we in de wind liggen. Normaal doen we dit niet zo veel, maar het is wel een leuke oefening en kan in sommige gevallen handig van pas komen.

Deinzen lijkt eigenlijk heel eenvoudig: stuur je boot in de wind, laat je zeilen klapperen en probeer de boot in de wind te houden door goed te sturen. Op een gegeven moment zal je dan achteruit geblazen worden.

Als je eenmaal achteruit gaat, moet je goed sturen en je roer niet los laten (probeer maar eens wat er gebeurt als je dit wel doet!). Je kan nu proberen nog sneller achter uit te zeilen door je zeilen te gebruiken: je laat 1 bemanningslid het fok uithouden aan de ene kant en je laat 1 bemanningslid het grootzeil uitduwen aan de andere kant.  Het grootzeil uitduwen kan behoorlijk zwaar zijn!

Als je weer vooruit wilt varen zorg je dat alle bemanningsleden weer veilig in de kuip zitten, vervolgens draai je je boot een kant op, trekt je zeilen aan en je zeilt weer vooruit, zoals we gewend zijn...

STUREN MET DE ZEILEN

We kunnen natuurlijk ons roer gebruiken om te sturen, maar sturen met het roer heeft wel een nadeel: je stuurt niet alleen, het remt ook een beetje! Als je je zeilen goed gebruikt kan je daar ook mee sturen: je hoeft je roer dan minder te gebruiken en je kan daar dus snelheid mee winnen. En dat is heel belangrijk als je een wedstrijd wilt winnen!

Als je aan het zeilen bent kan je eigenlijk maar 2 kanten op draaien door te sturen: naar de wind toe (oploeven) en van de wind af (afvallen). Oploeven = roer van je af, afvallen = roer naar je toe. (Tenminste: als je aan de goede kant van je roer zit! Zie Deel 3.) Maar hoe zit het nou met die zeilen? Door je grootzeil ga je oploeven en door je fok ga je afvallen. Waarom is dat zo? Laten we eens kijken wat er gebeurt als je aan de wind vaart en je je grootzeil helemaal los doet. Je grootzeil klappert helemaal en vangt geen wind meer. Maar: je fok vangt nog wel een heleboel wind! En je fok zit helemaal aan de voorkant van de boot. Dus wordt de voorkant van de boot door de wind weggeduwd. En dat is precies wat afvallen is: van de wind afdraaien! We zeggen dat het fok een afvallende werking heeft.

Nu het grootzeil: je vaart halve wind en je doet je fok helemaal los. Het fok begint te klapperen en vangt geen wind meer. Het grootzeil vangt nog wel veel wind en zit aan de achterkant van de boot. Resultaat: de achterkant van de boot wordt door de wind weggeduwd. Maar daardoor draait de punt van de boot juist naar de wind toe! En dat is oploeven. We zeggen dat het grootzeil een oploevende werking heeft.

Als je dit nu niet helemaal goed begrijpt is dat niet zo erg, maar probeer in ieder geval het volgende te onthouden:

  • als het fok wind vangt wil de boot afvallen
  • als het het grootzeil wind vangt wil de boot oploeven
  • als beide zeilen wind vangen wil de boot dus (ongeveer) rechtdoor!

OVERSTAG GAAN

Overstag gaan lijkt een tamelijk eenvoudige maneuvre, maar toch komt er aardig wat bij kijken. Hetzelfde geldt eigenlijk voor gijpen, wat ik hierna zal bespreken. Omdat dit toch bedoeld is als een eenvoudige minicursus zal ik beide maneuvres kort uitleggen, maar niet tot in de details uitleggen waarom het allemaal zo werkt.

Eerst een korte definitie:
Overstag gaan = van de ene naar de andere aan de windse koers draaien, waarbij we heel even in de wind liggen. De zeilen staan na de overstag maneuvre aan de andere kant van de boot.

In het plaatje hierboven is aangegeven hoe een overstag maneuvre eruit ziet. Dit is de overstag maneuvre van aan de wind met het zeil over stuurboord naar aan de wind met het zeil over bakboord. De overstag maneuvre met de zeilen eerst over bakboord ziet er uiteraard precies hetzelfde uit, alleen verticaal gespiegeld.

Ik zal nu per plaatje uitleggen wat er op dat moment moet gebeuren.

  1. 1. zorg dat je aan de goede kant van je roer zit (loefzijde!)
    zorg dat je goed aan de wind vaart
    roep 'Klaar om te wenden!' (dit is geen vraag!)
  2. 2. roep 'Ree!'
    het fok wordt losgelaten
    je duwt je roer van je af
    je gaat met je roer mee naar de lijzijde van de boot
    je trekt het grootzeil verder aan
  3. 3. dit is het moment dat je in de wind ligt
    laat je grootzeil ietsje vieren
    als je weinig (draai)snelheid meer hebt kan je 'Fok bak' roepen en wordt het fok aan 'de verkeerde kant' aangetrokken (zie plaatje). Anders hoeft dit niet!
  4. 4. als je weer aan de wind vaart (met het grootzeil aan de andere kant) doe je je roer weer recht
    zorg hierbij dat je zelf aan de nieuwe loefzijde blijft zitten!
    roep 'Fok over!' en het fok wordt naar de goed kant aangetrokken maar nog niet helemaal strak
    als je weer op snelheid bent roep je 'Fok aan!' en wordt het fok weer strakgetrokken zoals dat bij aan de wind hoort.

GIJPEN

Zoals we in Deel 3 hebben gezien zijn er twee koersen waarop we een maneuvre kunnen doen om het zeil naar de andere kant te krijgen. In het vorige deel hebben we al de overstag maneuvre gezien, waarbij we van de ene aan de windse koers naar de andere aan de windse koers draaien. Nu zullen we kijken naar de gijp maneuvre.

Gijpen = het grootzeil naar de andere kant brengen terwijl we voor de wind varen.

In Deel 3 hebben we kunnen zien dat het grootzeil bij voor de wind zowel aan stuurboord als aan bakboord kan staan, omdat de wind precies van achteren komt. Daarom kunnen we het grootzeil als we voor de wind varen heel makkelijk van de ene naar de andere kant zetten. Dit is gijpen.

We proberen een gijp altijd op een gestrekte koers te maken: we gaan precies voor de wind varen en zorgen dat we dit tijdens en na de maneuvre ook nog varen. Een puntsgewijze beschrijving... (De nummering slaat op de nummertjes in het plaatje.)

  1. controleer of je goed voor de wind vaart (dit kan je doen door net zo ver af te vallen tot je fok doodvalt, wat betekent dat het fok geen wind meer vangt en naar het midden van de boot 'valt')
    als dit zo is ga je aan de andere kant van je roer zitten
    controleer nogmaals of je fok doodvalt
  2. roep 'Klaar voor de gijp!'
    haal hand over hand het grootzeil binnen
    controleer je roer door de helmstok onder je arm te klemmen
    als de giek in het midden is geef je een rukje aan de grootschoot om het zeil goed naar de andere kant te brengen en roep je 'Gijp!'
  3. als je voor de wind blijft varen kan het fok aan de nieuwe loefzijde blijven staan ('fok te loevert'), anders roep je 'Fok over!' zodat het fok naar de nieuwe lijzijde wordt getrokken