C-ROEIEN

1. ROEITECHNIEK 

Onderstaande beschrijving van de roeibeweging bevat geen precieze voorschriften ten aanzien van

beweging en houding, maar een analyse van de beweging die de funktie, het optimale en meest economische verloop ervan duidelijk maakt. Het is de taak van de instrukteurs om de roeibeweging te lerenaan de !eden die zich hebben opgegeven voor instruktie. De instrukteurs geven derhalve de precieze voorschriften.

1.1. HET SCULLEN

Bij het scullen houdt iedere hand een riem aan het uiteinde vast, terwijl de duimen op de kopse kant van de handle liggen om de riemen naar buiten (in de dollen) te drukken. Beginnend bij de inpik (catch)is de beweging als volgt:

De inpik (catch) 

De handen worden in een snelle beweging iets omhoog geheven tot het blad geheel in het water is. Deze armbeweging gaat vanuit de schouders zonder de rug te bewegen (1).

De benen maken een trapbeweging, terwijl tegelijkertijd het bovenlichaam schrap wordt gehouden. De armen blijven gestrekt. Op deze wijze wordt de kracht van de beenspieren via de aangespannenboog van heupen, rug, schouders en armen overgebracht op de riem (2 en 3).

De beentrap wordt verder uitgevoerd De armen blijven gestrekt. De bladen gaan op een hoogte vol bedekt door het water. De rug wordt in de beweging iets opgezwaaid, zonder zich te strekken (4 en 5 en 6). 

De benen strekken zich gelijkmatig de armen worden aktief ingeschakeld. De romp wordt verder naar achteren (door de vertikaal) bewogen (7 en 8). Als de benen gestrekt zijn, moeten ook de armen zijnbijgetrokken, waarbij de ellebogen laag blijven. Het blad staat nog steeds vol in het water (9).

De onderarmen worden ontspannen omlaag geduwd. De riemen draaien dan met slechts zeer geringe kracht, waardoor de bladen vertikaal uit het water gaan. Door daarna de polsen te kantelen wordende bladen in horizontale stand gebracht (10 en 11). De handles worden door het strekken van de armen eerst tot over de knieen bewogen, terwijl de bladen vlak boven het water scheren en de benengestrekt blijven. Pas na het wegzetten van de handen over de knieen wordt de rug ingebogen (12).

Het bankje rijdt gelijkmatig naar voren door het buigen van de benen. Halverwege worden de bladen gelijkmatig teruggedraaid (13, 14 en 15). 

Tijdens het oprijden worden de armen gestrekt naar voren gehouden, de handen gaan uit elkaar. De benen buigen zich steeds verder. De bladen worden langzaam naar het water toe bewogen ( 16, 17 en 18).

De totale roeibeweging is uiteraard een steeds doorgaande soepele beweging.

1.2. HET BOORDROEIEN 

De verschillen met het scullen zijn de volgende: 

de handen houden een riem vast in de bovengreep, met ongeveer een anderhalve handbreedte tussenruimte, waarbij de buitenhand het uiteinde van de handle omsluit. Met de binnenhand wordt de riem tevensin de dol gedrukt.

 in de houding vlak voor het begin van de haal is de buitenarm geheel gestrekt, de binnenarm noodzakelijkerwijs zeer licht gebogen. De beide benen zijn sterk gebogen, waarbij de knie van het been aan de dolzijdezich tussen de armen bevindt. Het bovenlichaam mag afhankelijk van de beoogde haallengte iets naar de dolzijde worden gedraaid.

2. COMMANDO'S

De stuurman/-vrouw is degene die de commando's geeft. Bij een stuurmanloze boot worden de commando's meestal gegeven door de boeg. De roeiers volgen onverwijld de commando's op. De roeiers worden bijnummer of boord aangesproken. (de boeg is l' de slag is al naar de boot 2, 4 of 8.) De commando's bestaan praktisch altijd uit een waarschuwingscommando en een uitvoeringscommando. De commando's worden uitgevoerd op het bevel "ja" of "nu" en (zo nodig) be-eindigd op het commando "en bedankt" of "dank u". De stuunnan/-vrouw dient de commando's vlot, duidelijk en foutloos te geven. In de hiema volgende commando's bestaat veelal geen vaste volgorde. Bij de instruktie leert men welke commando's men moet gebruiken.

  • Boot in- en uitbrengen
  • Instappen
  • Afvaren
  • Aankomen
  • Uitstappen
  • Vaart minderen en stoppen
  • Strijken
  • Koers wijzigen
  • Passeren van obstakels
  • Kracht van de haal

 2.1. BOOT IN EN UITBRENGEN

"Aan de boorden"

Dit is een algemene oproep aan de roeiers om bij de boot te komen voor het in- en uitbrengen of voor het instappen.

"Tillen gelijk - Nu"

Over de manier van tillen  en dragen, zie materiaalbehandeling.

"Boven de hoofden - Nu"

De boot wordt met een zwaai met gestrekte armen boven de hoofden gebracht en door iedere roeier aan beide boorden gevat.

"Uitzakken om en om - Nu", eventueel met toevoeging "bak- of stuurboord eronder door"

De boot wordt van boven de hoofden in de handen gebracht. De roeiers staan om en om aan stuur- en bakboord en houden de boot aan de boorden vast. Bij gieken staan de roeiers ieder tegenover huneigen boord, bij scullboten om en om met de slag aan stuurboord. De boot ligt hierbij met de kiel naar boven.

"Overpakken - Nu"

Met de ene hand pakt men over de boot heen het andere boord vast, de andere hand blijft het eerste boord vasthouden.

"Draaien (met de open kant naar ........) - Nu" De boot wordt een halve slag gedraaid. 

"Voor de buiken - Nu" 

Na het commando "boven de hoofden - nu" wordt de boot met een zwaai voor de buiken gebracht. De boot bevindt zich nu met de kiel naar onder. De roeiers komen dus nu aan een kant te staan. 

"Tenen aan de rand van het vlot - Nu" 

Voeten niet over de rand van het vlot laten uitsteken. 

"Wegzetten - Nu" 

De boot wordt zo ver mogelijk in het water gelegd. Let er op dat de huid het vlot niet raakt. 

2.2. INSTAPPEN

Riemen dienen het eerst aan de vlot zijde in de dollen gelegd te worden, dan pas aan de waterzijde. Bij het uithalen van de riemen de omgekeerde volgorde aanhouden. Dit alles om het kantelen van deboot te voorkomen. De stuurman houdt de boot vast in het midden van de boot waarbij hij ervoor zorgt dat de boot op enige afstand van het vlot blijft. De huid mag niet tegen het vlot schuren en deriggers horen niet op het vlot te steunen, alleen de dolpen.

De stuurman geeft nu wederom de commando's: 

  1. (1) "Instappen gelijk" (waarschuwingscommando)

De roeiers gaan aan de boegkant van hun riggers staan met het gezicht naar het roer. Zij houden hun riem, respectievelijk de beide sculls, met een (de) hand (handen) vast en trekken die iets omhoogzodat de boot vast in het water ligt. De andere hand, die aan de vlotzijde, steunt aan het dolboord aan die zijde. 

  1. (2) "Een" (uitvoeringscommando) 

De voet aan de waterzijde wordt gezet op het opstapplankje tussen de slidings, respektievelijk op de buikdenning recht boven de kiel. Nooit op gangen, huid of slidings gaan staan!

  1. (3) "Twee"

De andere voet wordt bijgehaald, hetzij (in boten met een opstapplankje) direct in het voetenbord, hetzij naast de andere voet op de buikdenning, en men gaat zitten. 

  1. (4) "Drie"

De roeiers gaan zitten en zetten hun tweede voet of beide voeten in het voetenboord. 

  1. (5) "Overslagen dicht" 

De roeiers maken de overslagen aan de waterkant dicht, doch leunen niet te veel over naar dat boord (omslaan!).

  1. (6) "Voetenborden stellen" 

Hierbij leggen de roeiers de handles van hun riemen in hun schoot. Klemmen deze tussen hun buik en opgetrokken bovenbenen en steunen met de voeten op de buikdenningen of, indien er geenbuikdenningen aanwezig zijn, leggen hun benen op de dolboorden. Stellen van de voetenborden kan zowel aan het vlot als op het water gebeuren. De stuurman stapt dus na commando 5 of na commando 6 in.

 2.3. AFVAREN 

"Met geslipte riem uitzetten - Nu" 

Na met de handen de boot enigzins van het vlot afgeduwd te hebben, warden de riemen aan de vlotzijde geslipt en een halve slag gedraaid. Daarna wordt er voorzichtig van het vlot weggepeddeld zonderhet vlot met de bladen te raken, zolang tot de stuurman "Dank u" zegt. De geslipte riemen worden uitgebracht en de bladen weer een halve slag teruggedraaid.

"Afzetten geli jk - Nu" 

Dit commando wordt gegeven bij boten waar slippen niet mogelijk is.

Met de hand wordt de boot weggeduwd van het vlot. Voorzichtig wordt de riem aan vlotzijde uit de do! getrokken en met dat blad wordt tegen het vlot afgeduwd.

"Slag klaarmaken" (waarschuwingscommando) 

De roeiers gaan in de inpikhouding zitten, met de bladen horizontaal op het water.

"Slag klaar" 

De bladen worden een kwartslag gedraaid en komen vertikaal in het water.

"Af" (uitvoeringscommando) 

De eerste haal wordt gemaakt en men roeit verder.

2.4. AANKOMEN

Na reeds vaart verminderd te hebben, volgen de volgende commando's: 

"Paddle light (iichte haal) - Nu" 

De stuurman stuurt meestal onder een schuine hoek (a£hankelijk van de weersomstandigheden) met een zeer geringe vaart aan op de punt van het vlot.

"Stuur-/ bakboordriemen hoog" 

In plaats van dit commando ook we!: "pas op de riemen aan stuur-/bakboord". 

"Bak-/stuurboord klaar om te houden" 

De roeiers zitten met gestrekte armen en benen, met de bladen hoog boven het water, respektievelijk met de bladen gereed om te houden.

"Houden - Nu" of "Houden bak-/stuurboord - Nu" 

Het betreffende boord houdt. Bladen bijna vertikaal in het water. Bi; weinig vaart of een kleine hoek t.o.v. het vlot kan men ook laten vastroeien in plaats van houden.

N.B. Aankomen gebeurt met de boeg van de boot tegen de wind in, "de kop in de wind".

2.5. UITSTAPPEN 

Dit gaat in omgekeerde volgorde van het instappen. De stuurman stapt als eerste uit en houdt de boot weer in het midden vast. De riemen aan de vlotzijde liggen met de bo!le kant naar boven, die aan deandere zijde liggen plat op het water. De stuurman geeft de volgende commando's:

"Overslagen los" 

Niet te veel leunen naar dat boord

"Uitstappen  geli jk"  (waarschuwingscommando) 

Eventueel zetten de roeiers de voeten op de buikdenning voor het voetenbord. De hand aan de vlotzijde rust op het dolboord of licht op de rigger, de andere hand houdt de riem vast. 

"Een" (uitvoeringscommando) 

De roeiers staan op, na eventueel een voet op het opstapplankje gezet te hebben.

De roeiers zetten de voet aan de landzijde op het vlot. Het gewicht blijft in de boot, dus de heupen boven de boot.

De andere voet wordt bijgehaald, terwijl tegelijkertijd de riem aan de waterzijde wordt meegenomen en met de handle op het andere dolboord wordt gelegd. Het lichaamsgewicht wordt hierbijverplaatst naar het vlot.

2.6. VAART MINDEREN EN STOPPEN

"Laat" (waarschuwingscommando) - "Lopen" (uitvoeringscommando). 

"Laat" wordt gegeven bij de inpik van de laatste haal die geroeid moet worden. "Lopen" bij de uitpik van die haal. De bladen blijven nu vrij van het water en in horizontale stand, riem loodrecht op het boord, benen uitgetrapt en armen gestrekt (zgn 2de stop).

"Vastroeien" (uitvoeringscommando ). 

De bladen worden -enigszins schuin- in het water gebracht om vaart te verminderen. Pas als voldoende vaart is geminderd volgt het volgende commando "Houden".

"Houden stuur-/bakboord" of "beide boorden - Nu" 

De roeiers zetten de bladen rechtop (vertikaal) in het water om stil komen te liggen; handles op gelijke hoogte voor de balans. Dit commando kan pas gegeven worden als de snelheid voldoende laag is(gevaar voor afbreken van de riemen). 

"Stoppen" (uitvoering noodstop). 

De bladen snel boven water een halve slag draaien, en dus met omgekeerd blad houden. Bladen vertikaal in het water, handles stijf vast houden, want door de grote vaart staat er een grote kracht op debladen. In verband met gerede kans op riem-/dolbreuk, mag dit commando slechts in acute noodgevallen worden gegeven !

2.7. STRIJKEN 

De stuurman zorgt er voor, dat tijdens het strijken het roer recht blijft staan, dus de stuurtouwen gespannen houden. De boot verplaatst zich naar achteren.

"Strijken geli jk - Nu."

Het blad wordt een halve slag gedraaid. De roeiers strijken door de handles van het Iichaam af te duwen (met rijdend bankje).

"Stuur-/bakboord strijken - Nu"

Men strijkt aan het genoemde boord Aan het andere boord worden de bladen plat op het water gehouden De riemen aan beide boorden gaan met elkaar mee in de beweging.

2.8. KOERSWIJZIGINGEN (DOOR MIDDEL VAN DE ROEIERS) 

"Rond over bak-/stuurboord  - Nu"

De bladen aan genoemd boord worden een halve slag gedraaid. Men begint met strijken aan dat boord, hiema haalt men aan het andere boord. De riemen van beide boorden gaan gelijktijdig met elkaarmee in de beweging. Dit gaat om en om door tot het commando "en bedankt of dank u". Ronden client te geschieden met de boeg door de wind

"Stuurboord sterk of bakboord best" (uitvoeringscommando)

Het genoemde boord haalt (of strijkt) met meer kracht dan het andere boord. Na dit commando volgt altijd het volgende uitvoeringscommando:

"Gelijk" of "Bedankt". 

Beide boorden halen of strijken weer met gelijke kracht.

2.9. PASSEREN VAN OBSTAKELS 

"Slippen beide boorden" of "Slippen stuur-/bakboord - Nu" (uitvoeringscommando) 

De riemen worden langszij de boot gebracht. Men blijft hierbij de handles vasthouden. De geslipte riemen worden bij stabiele boten vrij van het water gehouden, bij smalle boottypen worden ze plat ophet water gehouden voor de balans.

"Slippen en laten vallen - Nu"

Hierbij wordt door de roeiers niet alleen geslipt, maar ook achterover geleund ("gevallen") om onder een

!age brug door te kunnen. Men blijft de riemen vasthouden. De stuurman bukt hierbij voorover.

"Riemen beide boorden intrekken - Nu" 

In uitgetrapte houding de riem intrekken en vast blijven houden. De bladen op het water houden. Dit commando wordt gegeven in gieken.

2.10. KRACHT VAN DE HAAL 

 

  • "Gewone haal of normale haal" Het roeien met normale, gemiddelde halen wat kracht en tempo betreft. 
  • "Strong paddle" of "harde haal" Het roeien met meer of veel kracht, tempo (soms) iets hoger. 
  • "Light paddle" Het roeien met minder of weinig kracht, tempo (soms) iets lager. "Spoelhaal" Het roeien zonder kracht, om de boot nog juist enige vaart te geven.

VLETROEIEN

ALGEMEEN

Om met succes en op een veilige manier te kunnen roeien is een zekere discipline in de boot nodig. Daarvoor is er een taakverdeling aan boord en wordt er alleen maar geroeid op bepaalde commando’s die door de roerganger gegeven worden. De hele bemanning moet een zo groot mogelijke eenheid vormen. Daarom zal er flink getraind moeten worden om de commando’s goed uit te kunnen voeren. Alleen dan kan dit leiden tot succes tijdens de wedstrijden. De beste ploeg is de ploeg die het best op elkaar is ingespeeld. Dat hoeft niet altijd de sterkste roeiploeg te zijn.

BOOTINDELING

Roerganger staat op het achterdek. Vanaf het achterdek naar voren kijkend noemen we de linkerzijde van de boot bakboord (BB) en de rechterzijde stuurboord (SB).

Slagroeiers zijn de roeiers die op de eerste doft (bankje) vlak voor de roerganger zitten met het gezicht naar de roerganger gekeerd. SB en BB slagroeier letten op elkaar om gelijke slagen te maken en houden het ritme er in.

Boegroeiers nemen achter de slagroeiers plaats. De boegroeier aan SB regelt zijn slag met de SB slagroeier, de BB boogroeier regelt zijn slag met de BB slagroeier.

Haak-voor zit op het voordek en zorgt bij het afvaren en aanmeren voor de Iandvast(en) voor op het schip. Hij/zij is tevens reserve roeier voor als er gewisseld moet worden.

VEILIG VAREN

  • Commando’s worden alleen gegeven door de roerganger en   eventueel van de instructeur.
  • Commando’s moeten altijd luid en duidelijk gegeven worden en moeten direct opgevolgd worden.
  • Roepen vanuit de boot naar de kant of andere boten hoort niet.
  • Schommel niet met de boot, houd hem zo recht mogelijk.
  • Let altijd op het overige verkeer op het water. Roeiboten hebben in de regel geen voorrang op andere boten. Let goed op de beroepsschepen, die gaan sneller dan je denkt.
  • Buk goed als je onder een lage brug doorvaart.
  • Het roer wordt alleen gebruikt wanneer dat nodig is en wanneer de riemen uit het water zijn. De helmstok komt nooit buiten de boordrand.

ROEI-INSTRUCTIES & COMMANDO’S

  • De roeicommando’s bestaan uit twee gedeelten. Het waarschuwingsgedeelte en het uitvoeringsgedeelte. Daartussen moet altijd een korte pauze zijn. In de onderstaande tekst is de pauze aangegeven door een streepje (-).
  • Let erop dat je de commando’s kort en duidelijk geeft en dat je geen tweede commando geeft als het eerste nog niet door iedereen is uitgevoerd. De roeiers hebben dan de tijd om te bedenken hoe ze moeten reageren.
  • Let erop dat veel commando’s niet direct achter elkaar kunnen, maar dat het tussencommando “op……..  riemen”  eerst gegeven moet worden

HET GEREEDMAKEN VOOR AFVAART

  • Het midzwaard wordt naar beneden gelaten.
  • De boot voorzien van de dollen. Deze mogen echter nog niet in de dolpotten gestoken worden, maar hangen aan de kettinkjes binnenboord.
  • De riemen aan boord brengen. Aan beide zeiden worden twee roeiriemen neergelegd met de bladen naar de boeg van de boot.
  • De bemanning kan de plaatsen op de doften innemen.

HET AFVAREN

  • Landvast voor -  los. De haak-voor of de stuurboord boegroeier maakt de Iandvast op de boeg los.
  • Zet af – voor. De stuurboord boegroeier duwt de boot vanuit de boeg met zijn riem af.
  • Landvast achter - los. De achtenlandvast wordt door de roerganger Iosgemaakt.
  • Willen -  binnen. De stootwillen worden nu binnenboord gehaald.
  • Dollen -  in. De dollen worden nu tegelijk in de dolpotten geplaatst.
  • Riemen -  op. De riemen worden nu recht overeind in de boot gezet met het blad naar boven en in de Iengterichting van de boot gedraaid. Slagroeiers eerst en daarna de boegroeiers.

HET VAREN

  • Riemen -  toe. Op het uitvoeringscommando brengt iedere roeier zijn riem dwarsscheeps, evenwijdig aan het wateroppervlak en met het blad verticaal.
  • HaaI op - gelijk. Bij het waarschuwingscommando gaan de roeiers voorover zitten met gestrekte armen en de voeten stevig gesteund. De riemen blijven horizontaal op de hoogte van het dolboord. Op het uitvoeringscommando zet men de bladen verticaal en niet te diep in het water, waarna de roeier achterover met gestrekte armen “in de nemen valt”. Op het Iaatste moment wordt de slag afgemaakt door het krachtig intrekken van de armen. Op het einde van de slag komt het blad uit het water en wordt op de hoogte van het dolboord gebracht en de roeiers gaan ween met gestrekte armen voorover zitten. De gehele handeling behoort één soepele slag te zijn. Het tempo van de slagen wordt door de slagroeier aangegeven. De roerganger kan besluiten gedurende enige tijd het roeicommando haal op - gelijk te herhalen totdat het tempo erin zit.
  • Op slag - gelijk. Bij het roeien moeten de beide slagroeiers goed op elkaar letten om een mooie gelijkmatige slag te krijgen. De overige roeiers letten goed op de slag aan hun boord en volgen het door de slag aangegeven tempo.

HET BEËINDIGEN VAN DE ROEIHANDELING

  • Op - riemen. Hierbij worden de riemen dwarsscheeps gebracht op de hoogte van het dalboord. Dit commando moet altijd worden gegeven wanneer men van een bepaalde roeihandeling op een andere overgaat.

Dit commando zal altijd gevolgd worden door een tweede commando zoals:

  • Op – riemen.
  • Riemen - over. (rust) De riemen worden haaks op de boot naar binnen getrokken om een rustpauze te geven De riemen blijven daardoor uit het water en kunnen de roeiers zich makkelijker bewegen om de armen en rug te ontspannen en wat te drinken of eten.
  • Op – riemen.
  • Stop - af. (afremmen) Op dit commando worden de bladen van de riemen verticaal in het water gebracht. De vaart wondt daarmee uit de boot gehaald. De roeiers moeten zich hierbij goed schrap zetten.
  • Op – riemen.
  • Strijk - gelijk (achteruit varen). Op het waarschuwingscommando gaan de roeiers achterover zitten met de riem dicht voor de buik. Op het uitvoeringscommando gaan de bladen verticaal het water in, waarna de roeiers de riemen van zich af duwen.
  • Lopen - riemen. De riemen worden langs de boot naar achteren gebracht waarbij de steel over het hoofd naar achteren wordt gevoerd. De riem komt daarbij uit de del. De boot wordt daarmee zo sneI mogelijk gemaakt om op eigen snelheid een versmalling te kunnen passeren (b.v. brug, open sluis of tegenligger).
  • Let op! Nooit wegvaren voordat alles gereed is!! Achter landvast pas los wanneer je kunt varen (riemen hoog dollen in)

OVERIGE ROEISITUATIES

  • Stuurboord op - riemen. Voor een ruime bocht naar stuurboord. De bakboord roeiers roeien gewoon op slag (het ritme) door.
  • Bakboord op - riemen. Voor een ruime bocht naar bakboord. De stuurboord roeiers roeien gewoon op slag (het ritme) door.
  • Stuurboord haal op, bakboord strijk - gelijk. Draaien over bakboord. (Uitvoeren nadat de vaart uit de boot is gehaald.).
  • Bakboord haal op,   stuurboord strijk - gelijk. Draaien over stuurboord. (Uitvoeren nadat de vaart uit de boot is gehaald.)

AANLEGGEN

  • De roerganger moet tijdig aan de hand van de snelheid bepalen op welk punt gestopt moet worden met het roeien om goed te kunnen aanleggen (wind). Het aanleggen moet altijd ‘met de kop in de wind’. Let daarbij goed op de invloed van de (zij)wind.
  • Op – riemen
  • Stop -  af (indien nodig)
  • Riemen - op. Door het handvat in de boot te duwen en met één hand de riem overeind te zetten, komt de riem in de boot te staan. De riemen staan zo dat de bladen gesneden zijn (de scherpe kanten van het blad wijzen naar voren en achteren)
  • Dollen - uit. De dollen worden aan de kettinkjes binnenboord gehangen.
  • Riemen - geroeid. De riemen worden met het blad naar voren op de doften gelegd. Eerst de riemen van de boegroeiers en vervolgens die van de slagroeiers.
  • Willen - uit. De stootwillen worden uitgehangen.
  • Houd af - voor. De haak-voor of de SB boogroeier houdt de boot af stapt aan wal en pakt de voorlandvast van de boot. De boot draait langszij en de roerganger neemt de achterlandvast. Beide Iandvasten kunnen nu vastgemaakt worden.

HET SCHOONSCHIP MAKEN

  • De riemen en dollen worden aan wal gebracht en op de juiste plaats opgeborgen.
  • Het midzwaard wordt opgetrokken.
  • De boot wordt netjes schoongemaakt.
  • De boot wordt netjes afgedekt.